Stikstofbodemoverschot op Koeien & Kansen bedrijven steeg in 2022

Het stikstofbodemoverschot op een bedrijf wordt berekend door de hoeveelheid stikstof die van de bodem afkomt (output van stikstof) af te trekken van de hoeveelheid stikstof die naar de bodem wordt gebracht als meststof (input van stikstof). Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de vastlegging en mineralisatie van stikstof in de bodem gelijk zijn (met uitzondering van veengrond).
Op de Koeien & Kansen-bedrijven komt gemiddeld meer dan 400 kg stikstof per hectare in de bodem terecht. De voornaamste bronnen zijn drijfmest en kunstmest. Echter, op bedrijven met veel beweiding levert stikstof uit weidemest ook een belangrijke bijdrage aan de bodem. Bedrijven met veengrond hebben daarnaast ook te maken met stikstofaanvoer door de mineralisatie van veen. Bedrijven die grasklaver of andere vlinderbloemigen telen voegen stikstof toe aan de bodem door stikstofbinding door vlinderbloemigen uit de lucht. Ten slotte hebben alle bedrijven te maken met de depositie van stikstof uit de lucht.
Mineralisatie
De verschillen tussen de bedrijven zijn aanzienlijk. Een bedrijf op veen heeft de hoogste stikstofaanvoer naar de bodem, voornamelijk als gevolg van de mineralisatie. Een ander bedrijf heeft ook een hoge input van stikstof, ondanks het ontbreken van mineralisatie. Dit komt doordat dit intensieve bedrijf op kleigrond veel gebruikmaakt van stikstof uit drijfmest en kunstmest op de bodem. Hetzelfde geldt voor een ander bedrijf, dat geen weidegang voor de koeien heeft. Dit bedrijf brengt 300 kg N/ha uit drijfmest op het land en strooit bovendien ongeveer 200 kg kunstmeststikstof per hectare.
Alle Koeien en Kansen-bedrijven zijn deelnemers aan de BES-pilot. Als ze een hoge stikstofproductie van de grond realiseren, mogen ze meer dierlijke mest op hun bedrijf toepassen dan de wettelijke gebruiksnorm.
Op het biologische Koeien & Kansen-bedrijf is de stikstofinvoer zeer laag. Door de extensieve bedrijfsvoering is de mestgift van dierlijke mest laag, en de toediening van weidemest draagt het meest bij aan de stikstoftoediening naar de bodem, dankzij het frequente gebruik van beweiding.
20 ton droge stof
Een gemiddeld Koeien en Kansen-bedrijf haalde in 2022 ongeveer 250 kg N per hectare aan stikstof van het land. Dit komt neer op ongeveer 12 ton droge stof per hectare, waarvan voornamelijk gras, maar ook een deel maïs en andere voedergewassen.
De gewasopbrengsten en de stikstofgehalten in het gewas bepalen de hoeveelheid geoogste stikstof. De belangrijkste bijdrage hieraan is de productie van graskuil. Bijvoorbeeld, op een bedrijf, met een aanzienlijke mesttoediening, wordt ongeveer 400 kg N/ha geproduceerd met graskuil, wat overeenkomt met ongeveer 20 ton droge stof per hectare aan grasland. Weidegras draagt op de overige bedrijven ook aanzienlijk bij aan de stikstofoutput. Het is opvallend dat op het biologische bedrijf de stikstofproductie uit weidegras hoger is dan die uit graskuil.
Op de meeste bedrijven blijft de productie van stikstof via de maïskuil beperkt. Dit komt niet alleen doordat de bedrijven meer gras dan maïs verbouwen, maar ook omdat een maïskuil over het algemeen een veel lager stikstofgehalte heeft dan een graskuil.
Opvallend is de lage stikstofopbrengst van praktijkcentrum De Marke. Dit komt voor een groot deel door de hete en droge zomer die op dit bedrijf op droogtegevoelige zandgrond heeft geleid tot fors lagere gewasopbrengsten dan normaal. Dit bedrijf heeft ook een groter aandeel mais in het teeltplan dan de andere bedrijven.
Negatief bodemoverschot
Op de Koeien & Kansenbedrijven bedroeg het stikstofbodemoverschot in 2022 gemiddeld 160 kg N/ha. Dat is 17 kg N/ha hoger is dan het voorgaande jaar. De gemiddelde doelstelling voor 2022, namelijk maximaal 151 kg N/ha, is dus niet gehaald, stellen de onderzoekers van Wageningen Livestock Research. 6 bedrijven haalden hun individuele bedrijfsdoelen wel. Opvallend hierbij is dat verschillende benaderingen succesvol waren, zoals bijvoorbeeld bij het bedrijf met zowel een hoge input als output, en het bedrijf met zowel een lage input als output. Deze bedrijven hadden minder last van de droogte in vergelijking met bedrijven die in 2022 kampten met aanzienlijke neerslagtekorten en daardoor een lagere grasproductie realiseerden.
Het biologisch bedrijf behaalde in 2022 een klein negatief bodemoverschot. Dat betekent dat dit bedrijf iets minder stikstof aan de bodem toevoegt dan het van het land afhaalt.
Als de gemiddelde input op de bedrijven wordt vergelijken, is te zien dat het gebruik van stikstof uit dierlijke mest en kunstmest iets hoger is (beide 4 kg N/ha hoger dan in 2021). Aan de andere kant is de aanvoer van kunstmest fors gedaald: de Koeien en Kansen-bedrijven strooiden gemiddeld 15 kg N/ha minder stikstofkunstmest.
Bij de output valt op dat er 5 kg N/ha meer stikstof uit weidegras is gehaald. De output van stikstof met maïs en andere voedergewassen is in 2022 nauwelijks veranderd in vergelijking met 2021.
Minder kunstmest
De belangrijkste verandering in output trad op bij de stikstofproductie van graskuil. Deze was in 2022 gemiddeld 30 kg N/ha lager dan het jaar ervoor. Hierdoor daalde de grasopbrengst meer dan de kunstmestgift en had dit een grote invloed op het hoge bodemoverschot in 2022.
Om het bodemoverschot in de praktijk te verlagen, is het belangrijk om bij droogte niet te veel te bemesten, omdat het gras vanwege gebrek aan water minder goed groeit, aldus de onderzoekers. Het effectief anticiperen op droge omstandigheden door minder kunstmest te strooien vereist een zorgvuldig management. Inzicht in de vochttoestand van de bodem en het in overweging nemen van de verwachte weersomstandigheden zijn belangrijke factoren bij het bepalen van de juiste hoeveelheid kunstmestgift.

Tekst: Stefan Buning
Geboren en getogen op een melkveebedrijf in de Achterhoek. Sinds 1998 werkzaam als redacteur bij Agrio. Als chef Melkvee is hij samen met zijn team verantwoordelijk voor het kritisch volgen van alles wat er in en om de melkveehouderij in Nederland gebeurt.
Beeld: Ellen Meinen
Bron: Koeien&Kansen