Britse fokker: groter is niet altijd beter

Rutter is fel tegenstander van het adagium dat groter altijd beter is. Hij verbaast zich erover dat melkveehouders nog steeds fokken op koeien van groot formaat. De Brit is na zijn carrière bij Genus vier jaar geleden boer geworden op het ouderlijk bedrijf in Noordwest-Engeland, waar hij nu 380 Holsteinkoeien melkt.
„Altijd als er bij ons ongelukken gebeuren, is dat met een grote koe”, vertelt hij aan het Engelstalige vakblad Dairy Global. „Die glijden uit, komen vast te zitten, hebben een verdraaide lebmaag, vooral als je er een groot kalf uit haalt en er blijft veel ruimte over in de koe. Dat zien we opvallend vaak bij de grotere, zwaardere koeien.”
Volgens Rutter is boeren altijd verteld dat fokken op kleinere koeien, koetjes oplevert die niet kunnen concurreren in de kudde. „Maar eigenlijk zien wij hier het omgekeerde: kleinere koeien hebben duidelijk meer zelfvertrouwen op de beton, en laten ook duidelijker tocht zien.”
Hoogtemaat ‘verhuld’
Fokken op kleinere koeien betekent voor de Clayhanger Hall Farm in Cheshire dat ze stieren met een plus voor hoogtemaat vermijden. Maar met de jaarlijkse aanpassingen van de fokkerijindexen wordt het steeds lastiger om een goed beeld te krijgen van de hoogtemaat die een stier vererft, vindt Rutter.
„Een jaarlijkse basisaanpassing is ideaal als het gaat om accurate, up-to-date-fokwaardeschattingen”, zegt hij. „Maar tegelijkertijd verhult het alles wat ervóór is gebeurd. Als je alle basisaanpassingen voor hoogtemaat bij elkaar op zou tellen, zou je je rot schrikken. Een stier die vandaag de dag negatief scoort voor hoogtemaat, zou vorig jaar nog positief hebben gescoord, en zes jaar geleden nóg hoger.”
Voerefficiëntie
Rutter kijkt daarom voornamelijk naar indexen die stieren laten zien die een goede voederconversie vererven, en indexen die selecteren op milieukenmerken: oftewel stieren die koeien geven die per kilogram meetmelk de minste broeikasgassen produceren. „Die combinatie van voerefficiëntie en kilo’s vet en eiwit, daar gaan wij voor. Ook al worden we er bij onze huidige afnemer niet op uitbetaald, we kiezen toch altijd voor stieren met plussen voor vet en eiwit. Wij willen koeien fokken die het in zich hebben om – als het nodig is – meer vet en eiwit kunnen leveren.” De koeien van Rutter produceren op jaarbasis 10.600 kilo melk, met 4,2 procent vet en 3,2 procent eiwit.
Tien extra koeien aan gewicht
Marco Winters, hoofd fokkerij bij het Britse landbouwproductschap AHDB, stelt dat het formaat van koeien sinds midden jaren 80 aan het oplopen is, en dat er nog geen signalen zijn dat die trend afzwakt. Data laten zien dat een doorsnee koe in 2021 al 30 kilo zwaarder was dan een koe in 1991. Bij een gemiddelde bedrijfsomvang van 200 koeien, betekent dit dat een Britse boer aan gewicht bijna tien koeien extra te voeren en te managen heeft, stelt Winters.
Met de grootte is ook de melkproductie meegestegen. Maar volgens de fokkerijspecialist kan er vandaag de dag met de moderne fokkerijtechnieken (zoals genomics, GM) dermate precies worden gefokt dat je ook vooruitgang kunt boeken op productie zónder dat de hoogtemaat en het gewicht van de koeien meegroeien. Maar als melkveehouders blijven doorfokken op de ingeslagen weg, wordt het alleen maar duurder om het gemiddelde bedrijf aan de gang te houden, waarschuwt hij.
Winters: „Overal waar ik kom, zeggen boeren dat de koeien niet groter hoeven. Maar de fokkerijtrend laat zien dat dat precies is wat ze wél fokken.” Zelfs al wordt in de nationale Britse fokkerijindex lichaamsgewicht al negatief ingewogen.

Tekst: Gineke Mons
Gineke Mons (1970) groeide op op een biologisch melkveebedrijf in Gelderland. Na haar studie journalistiek werkte ze 13 jaar bij het Agrarisch Dagblad. Sinds 2008 is ze freelance (landbouw)journalist, met het accent op veehouderij en diergezondheid.
Beeld: Ingrid Sweers
Bron: Dairy Global