Verkenning: melkveehouder cruciale succesfactor kalf bij de koe

Dat is de grote lijn van de sectorbrede inventarisatie van kennis en ervaring rond het houden van kalveren bij de koe, die deze week aan de Tweede Kamer werd gepresenteerd.
De verkenning Kalf bij de Koe was maandag bijgevoegd bij de Kamerbrief over dierenwelzijn van landbouwminister Carola Schouten. Net als haar voorganger, staatssecretaris Martijn van Dam, stelt ook Schouten dat melkveehouders zelf de afweging moeten maken hoe lang ze het kalf bij de koe willen houden.
'Kalf bij de koe wordt niet geaccepteerd'
De zeer brede verkennende studie (uitgevoerd door Wageningen UR en het Louis Bolk Instituut) benadrukt dat er zowel voordelen als nadelen zitten aan het systeem, en dat het succes vooral afhankelijk is van hoe de veehouder er zelf in staat.
Opmerkelijk is dat de onderzoekers stellen dat 'Kalf bij de Koe' binnen de sector zelf eigenlijk niet wordt geaccepteerd: 'niet door collega-ondernemers, niet door de periferie en erfbetreders, niet door ketenpartijen.'
Opmerkelijke bevindingen
Een aantal andere opmerkelijke bevindingen uit het rapport zijn:
- De maatschappij stelt eisen aan een sector waarover ze niet goed geïnformeerd is en waarvan ze het totaalplaatje niet overziet. Als Kalf bij de Koe op grotere schaal toegepast wordt, is het maar de vraag of de wensen en verwachtingen van de maatschappij waargemaakt kunnen worden.
- Korte termijneffecten van Kalf bij de Koe kunnen – door de onervarenheid van de veehouder en ongeschiktheid van het bedrijfssysteem – onbedoeld leiden tot bijvoorbeeld een hogere kalversterfte.
- Vooralsnog is het niet duidelijk of Kalf bij de Koe economisch uit kan voor elke melkveehouder. Dat is vooral afhankelijk van hoe er gerekend wordt: Hoe waardeer je dierenwelzijn? Hoe weeg je korte termijn tegen lange termijn? De manier waarop melkveehouders nu redeneren is onvoordelig voor Kalf bij de Koe; de huidige manier van afwegen hangt samen met de huidige manier van produceren. Kalf bij de koe vraagt een andere (af)weging en tegelijkertijd een verandering in doen én denken.
'Het moet bij je passen'
Projectleider Ed van Klink van Wageningen Bioveterinary Research in Lelystad stelt dat de verkenning vooral als doel had om alle kennis, ervaringen, vooroordelen en argumenten voor en tegen kalf bij de koe in beeld te brengen. "Een boer die overweegt om de kalveren bij de koe te gaan houden, kan uit dit document inspiratie putten, en kijken of het bij zijn hem en zijn bedrijfsvoering past, of niet."
Kennislacunes
Het rapport benoemt tevens een scala aan kennislacunes. Zo is er nog weinig bekend over het beste moment van spenen (van de melk af te wennen) en wat het beste moment is om koe en kalf te scheiden. Ook is het moeilijk na te gaan of een zogend kalf voldoende biest opneemt, en of die biest van voldoende kwaliteit is. Ook over het effect op de gezondheid van koe en kalf is nog (te) weinig bekend.
Deze en andere kennishiaten worden meegenomen in het vervolgonderzoek 'Kansen voor het Kalf in de Keten' (K3) dat eind 2017 is opgestart. Dit project is onderdeel van het ambitieuze publiek-private onderzoeksprogramma 1Health4Food, dat onderzoek doet op het snijvlak van dier- en volksgezondheid. Dit K3-onderzoek loopt nog tot april 2021.
Politieke discussie
De politieke discussie over het al of niet verplicht stellen om kalveren bij de koe te houden, loopt al vanaf februari 2016. Toen stemde een meerderheid in de Tweede Kamer in met een motie van de Partij voor de Dieren. Die motie verplichtte de regering toen om binnen een half jaar met een plan van aanpak te komen om kalveren na de geboorte niet direct weg te halen, maar een bepaalde tijd bij de koe te laten. Dit leidde tot een uitgebreid protest van honderden boerinnen, die onder de titel Actie Kalverliefde tegen die motie in het geweer kwamen.
Toenmalig staatssecretaris Van Dam gaf toen al aan dat hij het primair de verantwoordelijkheid vond van de melkvee- en kalverhouderij om samen met de zuivelketen na te denken over de vraag hoe kalveren een goede start kunnen krijgen. Kalf bij de koe houden kent voors en tegens; zo was bijvoorbeeld de dierenartsenkoepel KNMvD er vanuit het oogpunt van de preventie van ziekteoverdracht geen voorstander van. Van Dam vond daarom dat er eerst meer onderzoek nodig was. Dat heeft geresulteerd in de Verkenning Kalf bij de Koe.
Verplicht in Noorwegen en Zweden
In Noorwegen en Zweden is het verplicht om het kalf respectievelijk drie dagen en één dag bij de koe te houden. Ongeveer 18 procent van de biologische Noorse melkveehouders en 22 procent van de Zweedse biologische melkveehouders houdt het kalf langer bij de koe dan de verplichte periode. Zij verlengen de duur van de zoogperiode variërend van een week tot dertien weken. In Nederland telt 45 boeren die de kalveren langere tijd bij de koe laten lopen, aldus de verkenning.
'Erg onverstandig'
Dat minister Schouten nu aangeeft dat het aan de melkveehouder zelf is om te beslissen hoe lang hij de kalf bij de koe wil houden, valt niet in goede aarde bij de Partij voor de Dieren. "Wij vinden het erg onverstandig van de minister om geen werk te maken van kalf bij koe", laat Esther Ouwehand weten. "Er zijn zeer goede voorbeelden die laten zien dat het kan, zoals Boerderij Ruimzicht die de koeien en kalfjes al 15 jaar met succes in een familiekudde houdt. Maar er is zeer veel onwetendheid over in de gangbare melkveehouderij en dat laat de minister nu zo."
Daarmee doet bewijst Schouten niet alleen de dieren, maar ook de boeren een slechte dienst, zegt Ouwehand. "De maatschappelijke weerstand tegen het weghalen van jonge kalveren bij hun moeder neemt alleen maar toe. Het is aan de minister om de boeren te helpen de beweging te maken naar een landbouwpraktijk die op maatschappelijk draagvlak kan rekenen. Dat doet ze nu niet en daar schiet echt niemand iets mee op."