‘In Nederland vaak hoge input en lage output’

De voor de fokwaardeschatting verantwoordelijke stichting Genetische Evaluatie Stieren (GES) organiseert jaarlijks een zogenoemde GES-dag voor boeren en overige belangstellenden. Het thema was deze keer ‘Wat is economisch de meest interessante koe?’. De organisatie had daarom relatiemanager Rick Hoksbergen van Alfa accountants en adviseurs uitgenodigd om het economisch perspectief van de fokkerij te schetsen.
Ieren, Denen en Duitsers
„Elke boer heeft zijn eigen fokkerijstrategie”, begon Hoksbergen. „Het is belangrijk dat de koe past bij de strategie die je kiest. Je kunt kiezen voor een low input, low output systeem of voor een high input, high output systeem. Ierse bedrijven accepteren bijvoorbeeld een lage output en hebben ook een lage input. Denen hebben een hoge input en een hoge output, terwijl de Duitsers er tussenin zitten.” De accountant illustreerde zijn uitspraken met een puntenwolk op een groot scherm, waarbij de input en de output tegen elkaar waren afgezet.
Op hetzelfde scherm verschenen ook puntjes die de Nederlandse bedrijven voorstelden. Ze lagen niet op dezelfde lijn als de Ierse, Duitse en Deense bedrijven, maar er grotendeels duidelijk onder. „In Nederland heb je veel bedrijven die wel de kosten maken, maar waar de liters er niet uitkomen. Ze combineren dus een high input met een low output.” Hoksbergen zei dat je weliswaar kunt accepteren dat de koe de laatste liter niet maakt, als je dan de kosten ook maar niet maakt.
Fosfaattechnisch niet beter
De relatiemanager legde uit dat beide strategieën prima zijn en dat ook een positie in het midden goed kan zijn (medium input, medium output), maar dat er zich in de middengroep te veel boeren bevinden, die de kosten wel maken en het er niet uithalen. „Overigens is high input, high output fosfaattechnisch niet beter dan low input, low output, ook niet met een BEX-voordeel.”
Volgens Hoksbergen moet de fokkerij rekening houden met beide strategieën. „Bij een low input-systeem, waarbij je je koeien het gras zoveel mogelijk uit de wei laat halen en weinig kosten maakt, past niet een koe met heel veel genetische productiepotentie.”
Low input, high output
Uit de zaal kwam de vraag of een systeem met een low input en een high output niet nog aantrekkelijker zou zijn. „Dat is inderdaad het ultieme doel”, aldus de accountant, „en zulke bedrijven zijn er ook. Het zijn bedrijven die heel efficiënt investeren.” Hoksbergen noemde als voorbeeld buitenlandse bedrijven, welke hij vergeleek met Nederlandse die ‘op de groei’ zijn gebouwd. „Die stallen willen veehouders geleidelijk met eigen aanfok vullen. In het buitenland kom je dat niet tegen. Als ze daar morgen een grote stal klaar hebben, staat die overmorgen vol.”
Tekst: Anne Hiemstra