
‘Van een beste gebruikskoe naar een beste gebruikskoppel’

Een gen voor levensduur bestaat niet. Dat dat wil niet zeggen dat er geen genetische aanleg is voor een langere levensduur. Maar die is grotendeels indirect. „Genen hebben geen enkele betekenis zonder omgeving”, is een uitspraak uit de genetica. Wat ze daarmee willen zeggen is dat genen pas hun werk doen als ze daartoe aangezet worden via de voeding of andere prikkels uit de omgeving. De omstandigheden, van kalf tot koe, zijn erg bepalend voor het uiteindelijke resultaat. En dat biedt perspectief, want het betekent dat de melkveehouder het zelf voor een groot deel in de hand heeft hoe lang zijn/haar koeien meegaan.
Niet altijd hetzelfde resultaat
Geen enkele koe-stier combinatie geeft hetzelfde genenpakket door aan de nakomelingen. De genetische aanleg is onvoorspelbaar. En omdat de omstandigheden een belangrijke rol spelen, kan het resultaat heel anders uitpakken dan verwacht. Dat geeft spreiding in het koppel. Zeker als op basis van genomics wordt gefokt. Sommige kenmerken (kwaliteiten) zijn relatief sterk overerfbaar en als die de levensduur mede bepalen, kan daar gericht op gefokt worden. Zoals klauwen en benen, uierkwaliteit, diepte en inhoud. Andere kenmerken hebben een lage erfelijkheidsgraad zoals de vruchtbaarheid en gezondheid. Daarvoor zijn de bedrijfsomstandigheden veel meer bepalend. Om welk kenmerk het ook gaat, alle genetische informatie, zoals de fokwaarden, heeft betekenis. Fokwaarden negeren of op cruciale kenmerken genoegen nemen met minder dan 100 is niet verstandig.
De juiste kwaliteiten
De functionele kwaliteiten van een koe bepalen de zogenaamde functionele levensduur: hoe lang zou de koe probleemloos mee kunnen gaan. De werkelijke levensduur is vaak (veel) korter omdat de koe al eerder wordt afgevoerd vanwege een te lage productie of omdat er een vaars in de wacht staat. Het is belangrijk te realiseren dat de omstandigheden ook hierbij een rol spelen. Immers, een niet optimale voeding heeft gevolgen voor de vruchtbaarheid en de productie en kan klauwproblemen veroorzaken. En ook het ligcomfort heeft grote invloed op het functioneren. Met andere woorden de functionaliteit van een koe is niet alleen erfelijk bepaald. Maar hoe optimaal de omstandigheden ook zijn, ze kunnen nooit goedmaken wat in de kwaliteiten van de koe mist: bij een goed management zal een verkeerde been/klauwstand toch de beperkende factor voor levensduur blijven. Omgekeerd zal onder optimale omstandigheden de genetische potentie voor levensduur en productie beter tot uiting komen. De uitdaging is dus om koeien te fokken met een goede functionele aanleg en met een goede productie-aanleg en die onder optimale bedrijfsomstandigheden te houden.
Uitvalsrisico
De kans om vanwege problemen of een te lage productie afgevoerd te worden is ook afhankelijk van de leeftijd (lactatienr.) en het moment in de lactatie. Problemen zijn deels leeftijdsgebonden en dat betekent dat voor elke leeftijdsgroep andere aandachtspunten gelden. Ook binnen een lactatie zien we verschillen tussen leeftijdsgroepen en afvoerredenen. Dat is een belangrijk gegeven omdat het kan helpen op het juiste moment aan de juiste zaken aandacht te schenken. Het moment waarop een probleem aanleiding geeft om een koe af te voeren, zegt nog niet alles over het ontstaan van het probleem en de mogelijke aanpak. Zo worden koeien om vruchtbaarheidsreden vaak aan het einde van de lactatie afgevoerd, terwijl het risicomoment in de transitieperiode ligt. Fokken op vruchtbaarheid zonder daar rekening mee te houden levert doorgaans weinig tot niets op. Een ander voorbeeld is melkziekte. De koe kan weliswaar op de been geholpen worden, maar de kans op vervolgproblemen is groot. Die worden dan achteraf vaak niet daarmee in verband gebracht. Voor de juiste aanpak via de fokkerij moet wel duidelijk zijn of het om omgevingsfactoren gaat, als huisvesting, voeding en verzorging, of om de erfelijke aanleg. Alleen met de juiste analyse van de problemen en de oorzaken kan de fokkerij bijdragen aan een oplossing.
Selectie als aanvulling op de fokkerij
Selectie is een goede manier om, in relatief korte tijd, het genetisch niveau van de veestapel in zijn geheel te verhogen. Melkvee en jongvee die niet aan de verwachtingen voldoen moeten van verdere fokkerij worden uitgesloten. De beste koeien en pinken worden juist gebruikt om bovengemiddelde dochters te krijgen. En hoe lager het uitvalspercentage, hoe strenger geselecteerd kan worden en hoe sneller de veestapel op een hoger peil komt. Van groot belang daarbij is dat voor de selectie van de koeien en het jongvee dezelfde criteria worden gebruikt als voor de stierkeuze. In de praktijk is dat vaak niet het geval en vallen de resultaten tegen. De combinatie van een strenge selectie aan de hand van de dezelfde criteria bij zowel het melkvee, jongvee en de stierkeuze geeft de beste genetische vooruitgang. Bedrijven die serieus werk maken van levensduurverlenging zien in eerste instantie door de strenge selectie de leeftijd dalen, om hem daarna flink te zien stijgen. Gemiddeld met minstens een maand per jaar. Ze hebben een duidelijk doel en laten zich niet verleiden tot andere keuzes.
Aandachtspunten
Gericht fokken vereist kennis van de aard en de oorzaak van de problemen op het eigen bedrijf.
- Waarom worden koeien gedwongen afgevoerd? Is het een kwestie van de fokkerij of de omgeving of beide? Op basis daarvan kan een plan worden opgesteld met maatregelen en een bedrijfseigen fokdoel.
- Stieren die zich hebben bewezen op basis van dochterinformatie geven de meeste zekerheid en de minste spreiding. Uniformiteit heeft grote voordelen.
- Consequent werken en vasthouden aan het doel zijn belangrijke succesfactoren.
- Koeien die lange tijd goed functioneren geven vaak een goed beeld van het type koe dat past bij het bedrijf.
- Geselecteerde dochtergroepen geven een eenzijdig beeld van wat een stier te bieden heeft. De dagelijkse praktijk moet het bewijzen.
- Om vooruitgang te kunnen boeken moet het aantal kenmerken beperkt blijven tot die kenmerken die voor het bedrijf van belang zijn. De bedrijfseigen criteria vormen daarbij het uitgangspunt.
- Om goed te kunnen presteren moet de koe de juiste kwaliteiten (vorm) hebben. Voorkom eenzijdig fokken en zoek naar de juiste balans tussen vorm en functie.
Voor meer informatie zie www.valacon.nl
Tekst: Valacon
Beeld: Valacon