‘In fokkerij wordt voorbijgegaan aan feit dat vorm functie bepaalt’

„Oude kennis verdwijnt. Vroeger wist men dat als je aan de huid van de dijen van een koe trekt en de huidplooi blijft staan, het een dunne, fijne huid is. Net zoals dat je je pet aan de heup moest kunnen hangen en koeien op hun achteruier moesten schijten. Allemaal tekenen van vrouwelijkheid en dus de natuurlijke wil om te melken. Kwaliteiten die bij code 1, dairy, staan”, aldus Schilder.
Rond en scherp
De analist liet in zijn presentatie twee filmpjes tegelijk lopen. Aan de ene kant de FH-keuring in de jaren ’50 en aan de andere kant de World Dairy Expo van tegenwoordig. „Beide keren vertolkte de kampioene het ideaalbeeld. Alleen was ze de ene keer 1,27 meter groot en helemaal vierkant, zodat ze geen melk meer produceerde (‘te rond om te melken’, red.) en is ze tegenwoordig 1,65 meter groot en extreem smal en scherp (‘te scherp om te leven’, red.). In de jaren ’50 werd de code 5, ‘smooth’, overgewaardeerd en tegenwoordig is er een overdreven focus op de codes 2, 3 en 4. Door de eenzijdige fokkerij ontstaat er een gebrek aan de codes 1 en 5. Het zou me dan ook niet verbazen als de productie gaat dalen de komende tijd (gebrek aan code 1, dairy, red.).”
Het punt dat Schilder wil maken is dat mensen de vorm van een dier bepalen, vaak zonder zich de vraag te stellen of het ook functioneel is. „In de natuur gebeurt dat niet. Iedereen die zich met veeverbetering bezighoudt, zou zich als doel moeten stellen om dieren te creëren, die zo gevormd zijn, dat ze op een normale manier kunnen functioneren.”
Vorm en functie
De Amerikaanse veehouder en inspecteur Bill Weeks legde een verband tussen de uiterlijke verschijningsvorm en de bijbehorende functie. „Hij was een koeiengek en had een fotografisch geheugen. Hij schetste alle koeien die hij zag en dat moet een monnikenwerk geweest zijn. In 1965 ontwikkelde hij de zes aAa-nummers, (1 dairy, 2 tall, 3 open, 4 strong, 5 smooth, 6 style, red.) zoals die nu nog gebruikt worden en de bijbehorende silhouetten. Hij is een van de weinigen die alle onderdelen van de koe heeft beschreven naar hoe ze horen te zijn, waarbij hij overigens niks zegt over centimeters. Hij noemde het aAa, maar je kunt het ook logisch nadenken noemen of gewoon de natuur.”
Relaties tussen onderdelen
Schilder stelde dat de zes cijfers slechts een hulpmiddel zijn om het systeem te gebruiken. „Elk van de zes nummers beschrijft een groep van kwaliteiten die samen een dier de fysieke vorm geven en het toestaan te functioneren op specifieke wijze. Een koe kan alleen goed functioneren wanneer haar vorm dit toestaat. Daarbij moet je bedenken dat een onjuiste vorm in het ene deel van een koe kan leiden tot problemen van de functie in andere delen van de koe, het principe van de relaties tussen alle onderdelen.”
Smal is niet melktypisch
„De aAa-analyse beoordeelt niet of een koe goed of slecht is, maar kijkt naar elk individueel dier en analyseert de relaties tussen alle onderdelen, om te bepalen wat elk dier nodig heeft voor de paring en wat de stier moet toevoegen aan de paring, om de meest natuurlijke vorm en best functionerende nakomeling te creëren. Want als je de vorm niet hebt, ga je de functie niet krijgen”, stelt Schilder. Hij constateert dat er in de dagelijkse praktijk vaak niet goed met de verschillende termen wordt omgegaan. „Alles wat smal is, wordt melktypisch genoemd. Maar dat klopt dus niet”, aldus de analist. „Verder is het zo dat alle zes groepen van kwaliteiten nodig zijn om een koe goed te laten functioneren.”
Tekst: Anne Hiemstra
Beeld: Dick Breddels