
Sluit broei en zetmeelverlies uit, zorg voor goed inkuilmanagement

Wisselende maiskwaliteit verwacht
In sommige regio’s is de maisoogst reeds begonnen. Op dit moment staan de maispercelen er in het zuiden van het land gemiddeld goed bij. In het noorden is het beeld helaas wat wisselender en neemt de twijfel toe of de afrijping voldoende doorzet. Hier en daar is de mais minder ontwikkeld vanwege latere zaai en zware neerslag die de grond dichtgeslagen heeft. Ook worden regelmatig uitstoeling en meerkolvigheid vastgesteld. De tweede kolf is vaak niet goed gevuld en geeft mogelijk een hogere infectiedruk van schimmelsporen in het oogstproduct.
Broeigevoeligheid groenere maiskuilen
Het beeld van broei in kuilen met droge, grof gehakselde mais is bekend. Maar ook snijmais dat in een te groen stadium wordt geoogst geeft een verhoogd risico op broei. Deze kuilen worden gekenmerkt door een laag drogestof- en zetmeelgehalte, in combinatie met een hoger suikergehalte. Ondanks dat deze kuilen goed verdicht kunnen worden, ontwikkelen gisten zich tijdens uitkuilen gemakkelijker door de beschikbaarheid van veel suikers. Hierbij komt warmte vrij. Naast preventie van broei verdienen ook zetmeelbehoud en risico op perssapverliezen aandacht bij deze kuilen. Voor sommige bedrijven met een ruime ruwvvoerpositie kan hoger stoppelen van de mais een afweging zijn. Dit zorgt voor een hoger kolfaandeel en daardoor een iets hoger drogestof- en zetmeelgehalte in de kuil. Daarnaast zorgt een broeiremmer als 11A44 voor zetmeelbehoud en een rem op de ontwikkeling van gisten door extra vorming van azijnzuur en propionzuur.
Broei onderschat
Broei verdient economisch gezien de meeste aandacht bij de conservering van snijmais. Broei in de kuil is om de volgende redenen ongewenst:
- De smakelijkheid van het voer neemt af.
- Verlies van voederwaarde: gisten vreten de snel beschikbare suikers en zetmeel op.
- Meer schimmelvorming, dus toename van giftige mycotoxines.
- Toename boterzuur bacteriën als gevolg van stijging van de zuurtegraad.
Een steekproef op 50 melkveebedrijven in de periode januari - februari liet zien dat ongeveer op de helft van de melkveebedrijven toch in meer of mindere mate broei wordt vastgesteld! Dit wordt met name vastgesteld in de bovenste helft en de schouders van de maiskuil. Suboptimale in- of uitkuilmethoden en omstandigheden komen regelmatig voor. Maar ‘terugrekenen’ van de hoeveelheid gevoerde maiskuil gedurende de voorgaande maanden leert ook dat de voersnelheid vaak niet veel verder komt dan 1 meter per week. Het is van belang om extra alert te zijn op een goede inkuiltechniek wanneer de opslagcapaciteit voor snijmais te krap is. De voersnelheid per week dient minimaal 1,5 meter in de winter en 2 meter in de zomer te zijn.
Ook winst te behalen onder goede inkuilomstandigheden
Onafhankelijk onderzoek door Groeikracht laat zien dat ook onder ideale inkuilomstandigheden meer voederwaarde behouden blijft door de toepassing van Pioneer 11A44. In onbehandelde balen nam de hoeveelheid zetmeel tijdens conservering af met bijna 10%. Terwijl er in de behandelde balen met Pioneer 11A44 géén zetmeelverlies optrad. Dit resultaat betekent dat zonder behandeling per 10 ha mais 1 ha extra aangekocht dient te worden om dezelfde hoeveelheid zetmeel te behouden. Een besparing van ca €300,- per ha die al snel een rendement van €200,- per ha oplevert. Ook bij ideale omstandigheden zonder broei is dus nog winst te behalen! Het hoogste rendement wordt behaald door goed inkuilmanagement te combineren met het juiste inkuilmiddel .
Pioneer inoculanten
Pioneer heeft 3 verschillende inkuilmiddelen beschikbaar voor mais:
- 11A44 = broeiremming en zetmeelbehoud (lees meer)
- 11CFT = snellere conservering, broeiremming en zorgt voor een hogere celwandverteerbaarheid
- 11B91 = voor CCM/MKS met een drogestofgehalte van 60+
Voor de toepassing van Pioneer inoculanten met maximaal rendement en het bepalen van de optimale oogstmoment met onze optimaizer leest u de gratis brochure ‘Maisoogst 2021’.