Veel variatie in voorjaarskuilen

Op het eerste gezicht zijn de voorjaarskuilen gezonde, structuurrijke kuilen. Ze zijn goed geconserveerd en lopen weinig risisco op broei. Doordat het gras gedurende een korte periode van droog weer is ingekuild, ligt het droge-stofpercentage lager dan in voorgaande jaren. Daardoor zijn de kuilen goed verzuurd, wat de smakelijkheid ten goede komt.
Hoge opbrengst
De opbrengst per hectare ligt dit jaar aanmerkelijk hoger dan in de voorgaande twee jaren. De maaisnede was zwaar en bevatte veel structuur. De structuurwaarde en het NDF-gehalte liggen hoger dan in voorgaande jaren, de VEM en eiwitgehaltes (RE) wat lager. In rantsoenen met veel snijmaïs liggen eiwittekorten daardoor op de loer.
Explosieve groei
Door een explosieve groei vlak voor het maaien, hebben kuilen die begin mei zijn gemaakt een aanzienlijk hogere voederwaarde dan de kuilen die eind mei zijn gemaakt. Zo daalt de VEM van 935 begin mei naar 891 in de laatste weken van mei. RE-totaal zakt in dezelfde periode van 183 naar 153 g/kg ds. Na 20 mei daalt de voederwaarde erg snel omdat de meeste grassen dan beginnen te bloeien en het gewas snel verhout.
Zwavel
Verder heeft 1 op de 10 voorjaarskuilen een zwaveltekort. Deze kuilen hebben een S-index van 85 of lager. Met de dalende gebruiksruimte voor stikstof en fosfaat wordt het steeds belangrijker om het aanbod van andere nutriënten en het bodemgebruik te optimaliseren. Zwavel is belangrijk voor de ontwikkeling van gewassen en de vorming van eiwitten. Zwaveltekorten komen vooral tot en met de maand juli voor en bij de eerste snee is het gevaar op een tekort het grootst. Te hoge zwavelgehaltes kunnen in het najaar voorkomen (S-index > 115). Hierdoor kan de opname en benutting van Cu en Se door het vee in gevaar komen, met gezondheidsproblemen als gevolg.
Tekst: Erikjan van Huet Lindeman
Beeld: Ellen Meinen