Spraysystemen moeten nog nauwkeuriger

Automatische spraysystemen staan door de arbeidsbesparende mogelijkheden steeds meer in de belangstelling. Toch worden ze in Nederland nog maar mondjesmaat toegepast. De spraybox in de terugloopgang na de melkstal is tot dusver het bekendste systeem, maar dit werkt niet erg nauwkeurig. Een elektronisch oog in de vloer registreert een passerende koe en sprayt via een vloernippel. De kans dat het spraymiddel de uier goed raakt, is vrij klein.
In melkrobots werden in eerste instantie ook vloernippels toegepast voor het sprayen van spenen. Hierbij staat de koe stil, waardoor de kans al groter is dat de spenen goed worden geraakt. Maar als koeien op de nippel gaan staan, komt er van nauwkeurig sprayen weinig terecht. Daarom zoeken robotfabrikanten naar nauwkeuriger spraymethoden. Ze integreren het sprayen bijvoorbeeld in de aansluitarm, of werken met een aparte sprayrobotarm. Ook is er een robot waarbij een telescooparm uit de grond komt om dichter bij de uier te kunnen sprayen.
„Voor robotmelkers is het belangrijk om de luchtdruk goed af te stellen op de viscositeit van het middel. Een middel met jodium erin is handig om te controleren of de spenen goed worden geraakt, chloorhexidine in namelijk kleurloos”, beveelt het Uiergezondheidscentrum Nederland (UGCN) aan op haar website.
Vloernippel op verhoging
Dairymaster ontwikkelde voor buitenmelkers vloernippels in een verhoging op het draaiplatform per koestand. „Het ontwerp van de verhoging in de vloer zorgt er voor dat koeien niet meer op de nippel gaan staan”, zegt Gert-Jan Jager van Dairymaster. „De koe wordt gedwongen om de achterpoten uit elkaar te zetten waardoor de spenen goed kunnen worden gesprayd. Het systeem is aan de eerste carrouselmelkers in Nederland verkocht.”
De meer stroperige dipmiddelen kunnen doorgaans niet in geautomatiseerde systemen worden toegepast. Twee jaar gelden kwam wel het Engelse Automated Dip and Flushing (ADF)-systeem op de Nederlandse markt. Dit is het enige systeem dat de spenen geautomatiseerd kan dippen, omdat het in de melkbeker gebeurt vlak voor afname. Het systeem is effectief, maar brak nog niet door. Enerzijds vanwege hoge kosten circa 1.000 euro per melkklauw, anderzijds omdat er geen waterdichte garantie is dat er geen residuen van desinfectiemiddel in de melk terechtkomen.
Melkmachinefabrikant Gea Westfalia wil in overleg met de zuivelindustrie dit najaar een eigen veilig ADF-systeem introduceren, dat ook toepasbaar is in de melkrobot van Westfalia.
Liever dippen dan sprayen
Voorlopig zal het gros van de melkveehouders dus nog handmatig blijven dippen of sprayen. Naar schatting 75 tot 80 procent van de melkveehouders doet aan speendesinfectie, waarbij de helft kiest voor dippen en de andere helft voor sprayen.
Volgens de GD heeft dippen de voorkeur boven sprayen. Bij dippen is de contactwerking beter en is de kans op het goed en volledig raken van de spenen groter. Veel melkveehouders kiezen echter voor sprayen, omdat ze dat ervaren als een gemakkelijke methode. Maar als melkveebedrijven groeien in het aantal koeien, neemt de nauwkeurigheid van het sprayen in de praktijk vaak af door tijdgebrek, ervaart dierenarts Hans Nij Bijvank van dierenkliniek De Woldberg in Steenwijk.„Minimaal tweederde van de speen moet aan alle kanten zijn geraakt met een spraymiddel. Het goed raken van met name de achterkant van spenen laat nog wel eens te wensen over.\"
Een nadeel van sprayen is de verneveling van het middel. Dat kan voor melkers niet prettig zijn. „Zorg daarom voor een grove druppel”, adviseert hij.
Van het dippen wordt wel eens beweerd dat via de dipbeker juist bacteriën van koe naar koe worden overgebracht. Volgens Nij Bijvank is dat niet het geval. „De dipbeker moet dan wel goed schoon worden gehouden. Gebruik ook altijd een geregistreerd diergeneesmiddel voor desinfectie, dan krijgen ziekteverwekkers geen kans om via de dipbeker over te gaan van de ene naar de andere koe.”
Preventie kan snel uit
Een nauwkeurige speendesinfectie loont volgens Nij Bijvank altijd de moeite, omdat het de uiergezondheid verbetert. De preventieve aanpak kan snel uit, want de schade van uierontsteking (klinisch en subklinisch) kost op jaarbasis volgens het Uiergezondheidscentrum Nederland (UGCN) circa € 140 per aanwezige koe, ofwel 1,75 cent per kg melk.
De kosten van dip- of spraymiddelen bedragen volgens groothandel Ingenieursbureau Heemskerk ongeveer 17 euro per koe per jaar. Die zijn snel terugverdiend als de koeien gezond blijven, aldus Eric Heemskerk. „Vergeet daarbij ook de ontsmettende voorbehandeling niet. Daarmee raak je al 96 procent van de ziektekiemen op de spenen kwijt.\"
Volgens Ingenieursbureau Heemskerk is het belangrijk om het celgetal beheersbaar te houden. „Streef naar 80.000 tot 100.000 cellen per milliliter melk en beperk het aantal koeien met mastitis tot 10 procent. Dat levert direct rendement op”, aldus Eric Heemskerk.
Eén van de weinige nadelen van sprayen en dippen is dat de desinfectiemiddelen ook goede bacteriën doden. Dat remt de opbouw van natuurlijke weerstand in het uier. „Stoppen met speendesinfectie is echter voor de meeste bedrijven een veel groter risico”, besluit Nij Bijvank.
Geregistreerde middelen
Bij de keuze van een dip- of spraymiddel heeft het de voorkeur om te kiezen voor een middel dat is geregistreerd als diergeneesmiddel. Dan hebben ze een regNL-nummer, is de samenstelling bekend en is in klinische testen aangetoond dat ze een preventieve werking hebben tegen uierontstekingen. Een middelregistratie garandeert ook extra veiligheid voor mens en milieu, het middel heeft dan een laag risico op residuen.
Zuivelfabrieken zien graag dat veehouders werken met middelen die als diergeneesmiddel zijn geregistreerd om ongewenste stoffen, die via een dip- of spraymiddel in de melk kunnen belanden, in de melk te voorkomen.
De actieve stof van het middel (dip of spray) is meestal jodium, melkzuur en natriumchloriet of chloorhexidinegluconaat dat bacteriën, virussen en schimmelsporen doodt. Ook is een huidverzorgend middel zoals glycerine toegevoegd om de tepels zacht en soepel te houden en vereelting rond het slotgat te voorkomen. Vereelting is een ideale voedingsbodem voor bacteriën en beperkt de sluiting van het speenkanaal.
„Blijkbaar verschillen de middelen wel in de hoeveelheid glycerine die er in zit. Ik hoor soms melkveehouders klagen over schrale spenen, terwijl ze toch een geregistreerd middel gebruiken. Na overschakeling op een ander middel is het probleem meestal over”, weet Nij Bijvank.
Barrière- en conctactmiddelen
Speenmiddelen zijn te onderscheiden in barrière- en contactmiddelen.
Aan sommige dipmiddelen is een barrièremiddel toegevoegd (zie tabel geregistreerde middelen). Deze worden ingezet om met name infecties vanuit de omgeving, waaronder E Coli of Klebsiella, te voorkomen.
Contactmiddelen voorkomen vooral de overdracht van zogenoemde koegebonden mastitisverwekkers, zoals bijvoorbeeld Streptococcus Agalactiae of Staphylococcus Areus, die van koe op koe overdraagbaar zijn. Om het juiste speendesinfectiemiddel te kunnen kiezen, moeten van koeien met een hoog celgetal melkmonsters (genomen vóór behandeling met antibiotica) worden ingestuurd voor bacteriologisch onderzoek.
„GD biedt nu ook een abonnement op maandelijks bacteriologisch onderzoek van tankmelk aan. Als veehouders dat drie of vier keer doen, wordt duidelijk of het gaat om omgevingskiemen of dat je vooral de koegebonden bacteriën moet aanpakken op het bedrijf”, zegt Nij Bijvank.
Tekst: Janet Beekman
Beeld: Gerard Burgers, Anne van der Woude