Droge koeien in één groep

Droge koeien waren in het verleden nog wel eens een achtergestelde groep in de bedrijfsvoering. Ze geven geen melk dus hebben ze niet veel nodig, was de redenering. Nu heeft bijna elke voerleverancier een eigen concept voor het realiseren van een probleemloze start van de nieuwe lactatie; vaak gekoppeld aan een speciale brok.
Vanuit de Verenigde Staten waaide het systeem over om de droge koeien in twee groepen te houden en te voeren om zo een geleidelijke overgang naar het melkveerantsoen te realiseren. De vraag is echter of de Amerikaanse aanpak met een ‘far-off’ en een ‘close-up’ groep onder Nederlandse omstandigheden de beste strategie is.
Basis simpel
Eigenlijk is de basis van een goede droogstand simpel. Een droogstaande koe heeft een rantsoen nodig met 750 – 825 VEM per kilo drogestof en zo’n 12 procent ruw eiwit. Het voer moet smakelijk zijn, zodat de koeien er veel van blijven vreten. En de koe mag tijdens de droogstand niet vervetten, maar ook niet afvallen.
Tot zover geen discussie. Het wordt pas spannend als de koe de dag van afkalven nadert. Haar energiebehoefte neemt toe door het groeiende kalf en de voeropname neemt af. Bovendien is de erfelijke aanleg voor melkproductie van de hedendaagse Holstein-koe zodanig hoog, dat ze vanaf dag één volop melk wil geven. Dat moet ze allemaal wel kunnen bolwerken.
Theorie en praktijk
Vanuit de gedachte dat je een koe altijd zo veel mogelijk naar behoefte moet voeren, werd het systeem ontwikkeld om koeien tijdens de droogstand in twee groepen te houden. In de eerste weken krijgen ze een rantsoen met weinig energie en veel structuur. In de late droogstand –zo’n twee tot drie weken voor afkalven – verhuizen ze naar een opstartgroep met een veel rijker rantsoen.
Dit is enerzijds om de dalende voeropname te compenseren en de stijgende energiebehoefte te dekken. Anderzijds kan de pens zo vast wennen aan het rantsoen van de melkkoeien. Het systeem vindt zijn oorsprong in de Verenigde Staten, waar maïs en luzerne de basis van het rantsoen vormen. Het werkt goed op grote bedrijven met veel koeien en een voermengwagen.
In Nederland is de situatie echter vaak heel anders. Niet iedereen beschikt over een voermengwagen en op een bedrijf met zeventig koeien zitten er gemiddeld drie koeien in de close-up groep. Het is relatief veel werk om zo’n kleine groep steeds een passend rantsoen voor te schotelen.
De oplossing kan worden gezocht in het combineren van rantsoenen, bijvoorbeeld door de koeien voor afkalven het voer van de melkkoeien te geven met extra stro of graszaadhooi, maar dan nog moet de veehouder de discipline op kunnen brengen om de methode elke dag consequent uit te voeren. Want een systeem kan theoretisch nog zo goed in elkaar zitten, het staat of valt met de uitvoering in de praktijk.
Het werken met verschillende groepen betekent bovendien dat wekelijks koeien moeten verhuizen van de ene naar de andere groep. Ook dat vraagt arbeid en introductie van nieuwe dieren levert telkens stress op, omdat de rangorde opnieuw bevochten moet worden. Dit verstoort de voeropname.
Close-up soms averechts
Bij elke veehouder die werkt met twee groepen droge koeien, kalft er per ongeluk wel eens een koe in de ‘far-off’ groep. Vaak blijkt zo’n koe het helemaal niet zo slecht te doen. Ze geeft misschien in het begin wat minder melk, maar ze heeft vaak ook weinig problemen.
Met deze praktijkervaring in het achterhoofd deed coöperatie Agrifirm de laatste jaren verschillende proeven met droge koeien op de Waiboerhoeve in Lelystad. Zo is bijvoorbeeld gekeken naar de behoefte aan energie in het droogstandsrantsoen. De vraag was of koeien voor afkalven eigenlijk wel een basisrantsoen met veel energie nodig hebben.
De wetenschappelijke resultaten weerspiegelen de ervaringen in de praktijk: koeien die tot afkalven een energie-arm rantsoen vreten, produceren gemiddeld niet slechter dan koeien die in de droogstand een energierijk voer krijgen. Bovendien is de eerste groep dieren gezonder.
Ze blijven de dagen rond afkalven beter vreten en hebben daardoor bijvoorbeeld veel minder kans op melkziekte. Een close-up groep is dus helemaal niet nodig en kan zelfs averechts uitpakken voor de gezondheid van dieren.
De Waiboerhoeve, waar in het verleden ook met twee groepen droge koeien werd gewerkt, voert nu standaard één energie-arm basisrantsoen, tot volle tevredenheid van bedrijfsleider Jan Bloemert: „Lebmaagdraaiingen en melkziekte zijn verleden tijd”, zo geeft hij aan.
Stro en brok
Met de ervaringen van het eerste experiment gingen de onderzoekers nog een stap verder. Want als het voldoende is om koeien de hele droogstand één energie-arm rantsoen te voeren, dan kan het misschien nog wel simpeler en bedrijfszekerder met alleen stro en brok.
Deze aanpak werd in een proef vergeleken met het voeren van een energie-arm gemengd rantsoen. Wat bleek? De dieren die de hele droogstand slechts stro als ruwvoer kregen gingen na afkalven meer vreten en één (koeien) tot vier (vaarzen) kilo meer melk produceren. De gemeten hoeveelheid vrije veturen in het bloed was lager, wat er op duidt dat de koeien minder vet afbraken. Een logisch gevolg is dat de kans op stofwisselingsziekten een stuk lager is.
Uiteraard vraagt deze aanpak wel een behoorlijk aanvulling met energierijke brok, anders gaan de koeien lichaamsvet afbreken. De gift van deze droogstandsbrok wordt in de laatste tien dagen voor afkalven opgevoerd naar niet minder dan8,5 kiloper dag.
Pens past wel aan
Overigens is de aanpak van Agrifirm niet nieuw. Hendrix UTD propageert al sinds 2005 het voeren van één energie-arm rantsoen en in het verleden werd in jaren met ruwvoertekorten al eens geadviseerd om de droge koeien maar stro en brok te voeren. Inmiddels hebben de meeste voerleveranciers hun strategie ten aanzien van het voeren van droge koeien in meer of mindere mate aangepast.
De één formuleert het een beetje anders dan de ander, maar ze onderschrijven allemaal de gedachte dat het heel goed mogelijk is alle droge koeien hetzelfde basisrantsoen te voeren. Brok kan de verschillen in behoefte overbruggen. Door in de laatste fase van de droogstand de krachtvoergift stap voor stap op te voeren kan de dalende voeropname en de stijgende energiebehoefte worden gecompenseerd.
Dat kan door koeien vast te zetten aan het voerhek maar nog mooier gaat het met een krachtvoerautomaat. De rundveespecialisten wijzen er op dat het daarbij belangrijk is dat het droogstandsrantsoen dezelfde componenten bevat als het melkveerantsoen om de overgangen zo klein mogelijk te maken. Zo zouden voldoende suikers en zetmeel nodig zijn om de penspapillen actief te houden.
Deze laatste redenering wordt door wetenschappers in twijfel getrokken. Als de koe maar graag blijft vreten, is een aanvulling met brok misschien wel helemaal niet nodig. Zo geeft dr. Ad van Vuuren van Wageningen UR Livestock Research bijvoorbeeld aan, geen onderzoek te kennen dat de theorie ondersteunt dat het voeren van suikers voor het afkalven de ontwikkeling van penspapillen stimuleert.
„Ik geloof niet dat het nodig is koeien al in de droogstand te laten wennen aan het melkveerantsoen. Als ze maar graag blijven vreten, past de pens zich wel aan. Want zelfs als je voor afkalven krachtvoer voert, blijft de pens veranderen zo lang de krachtvoergift stijgt.” Misschien kan het dus nog wel simpeler…
Tekst: Wichert Koopman
Beeld: Susan Rexwinkel